1 e4 e5 2. Pf3 Pc6 3. d4 ed 4. Lc4 Lc5 5. 0-0 d6

1 P-K4 P-K4 2. N-KB3 N-QB3 3. P-Q4 PxP 4. B-QB4 B-B4 5. 0-0 P-Q3

1 52-54 57- 55 2. 71-63 28-36 3. 42-44 55-44 4. 61-34 68-35 5. 51-71 47-46

Speel je een partij met langere bedenktijd, dan moet je je zetten en die van de tegenstander noteren. De meesten van ons gebruiken de korte notatie, zoals hierboven weergegeven en voorgeschreven door de FIDE. Afhankelijk van wat je moedertaal is, gebruik je andere hoofdletters om de stukken aan te duiden. 

Leefde je ongeveer 50 jaar geleden in een engelstalig land en was engels je moedertaal, dan was noteren van je zetten niet zo simpel (zie de vertaling van regel 1 hierboven op regel 2). Ik heb nog een engelstalig schaakboek uit 1976, uitgegeven door Batsford, “An opening repertoire for the attacking club player”, waarin deze notatie wordt gebruikt. Het was een worsteling om daar doorheen te komen. Op regel 3 zie je dezelfde zetten in de notatie van correspondentieschaak.

Wist je trouwens, dat het verboden is je zet te noteren vóórdat je hem op het bord hebt uitgevoerd. Dan maak je aantekeningen tijdens het spelen van je partij en dat is verboden. Op de club zullen weinig spelers je op die fout aanspreken, maar speel je toernooien, dan kan je tegenstander de arbiter erbij roepen, die je een waarschuwing zal geven. Bij herhaling van de overtreding krijg je een nul achter je naam.

Martien Brand

Weergaven: 0